Weston Price

Waarom een boek uit 1939 allesbehalve achterhaald is.

Focale infectie

Westonaprice2Weston Price (1870-1948) was een Canadese tandarts die zijn thuisbasis had in Cleveland in de Amerikaanse staat Ohio. Hij verloor een kind aan de gevolgen van een wortelkanaalbehandeling die hij zelf had uitgevoerd. Het zette hem aan tot grondig onderzoek naar wortelkanaalbehandelingen, dat hij optekende in een boek genaamd Dental Infections – Oral and Systemic (1923).

In dit boek zet Price uiteen hoe schadelijke bacteriën zich kunnen bevinden in de miniscule tandbuisjes binnenin de tanden en kiezen, die in verbinding staan met het bloed en via die weg gevoed worden. Juist door een zuurstofarme omgeving te creëren, door de afdichting die wortelkanalen, maar ook vullingen, stiftanden en kronen met zich meebrengen, worden bacteriën die zich in de tandbuisjes bevinden virulenter. Bovendien kunnen ze via het bloed afreizen naar andere organen, waaronder het hart. Dit wordt een ‘focale infectie’ genoemd.

Price was hoofdonderzoeker van wat nu de American Dental Association heet, maar werd aan de kant gezet vanwege zijn ideeën. Het gevolg is dat de tandheelkunde zich nu nog massaal bedient van verstikkende wortelkanaalbehandelingen, vullingen, kronen en tandprotheses.

Voeding en fysieke degeneratie

Net als alle tandartsen kon Weston Price veel geld verdienen, want er was (en is) geen gebrek aan patiënten. Weston Price durfde echter buiten de kaders van de reguliere tandheelkunde te denken. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk is dat de moderne mens verstandskiezen krijgt, maar met onvoldoende ruimte in de kaakstructuur voor deze kiezen. Ook is de ligging van alle 32 tanden en kiezen bij lang niet iedereen even symmetrisch, waardoor bepaalde tanden en kiezen in de verdringing kunnen komen en scheef gaan staan.

Het onderzoek van Price wees steeds meer richting de voeding. Aangezien 99% of meer van de Amerikaanse bevolking in meer of mindere mate aan tandbederf leed, moest hij buiten Amerika op zoek naar personen zonder cariës. Price besloot het ene gedeelte van het jaar te werken als tandarts en zo voldoende geld te verdienen om zijn expedities te bekostigen, die hij het andere gedeelte van het jaar ondernam, samen met zijn vrouw.

Zijn onderzoek naar 14 natuurvolkeren over de hele wereld nam bijna 10 jaar in beslag en resulteerde in het boek Nutrition and Physical Degeneration (1939), in het Nederlands verkrijgbaar als Voeding en fysieke degeneratie.  Hoewel Price als tandarts een bijzondere belangstelling had voor gebits- en kaakstructuren kwam hij al snel tot de conclusie dat de staat van het gebit een graadmeter is voor de algehele lichamelijke gezondheid. Niet voor niets kijkt men traditioneel paarden ook in de mond om een idee te krijgen van de gezondheid van het paard.

Price ontdekte dat tandbederf geen genetische oorzaak heeft, want de mensen die hij onderzocht beschikten over voortreffelijke genen. Deze genen zetten een blauwdruk voort die vele duizenden jaren oud was en die nooit eerder verstoord was, zo bleek uit studies van oude schedels. Dit maakt tandbederf op de massale schaal waarop het vandaag de dag voorkomt een relatief nieuw verschijnsel, dat rechtstreeks verband houdt met moderne industrialisatie en daarmee dus ook de industrialisatie van voedsel.

Zodra deze levende afstammelingen van jager-verzamelaars, landbouwers, veehouders en nomaden het voedsel van blanke missionarissen en handelaars gingen eten, veranderde de genetische uitdrukkingsvorm van hun nageslacht. Price zag deze verzwakking binnen één generatie optreden, een verschijnsel dat hij ‘fysieke degeneratie’ noemde.

Voor Weston Price betekende het begrip ‘erfelijkheid’ dat de genetische expressie 100% volledig is. Nageslacht dat van het rassenpatroon afweek, viel voor hem onder de noemer ‘verstoorde erfelijkheid’. Deze verstoring zat hem in onvoldoende reserves aan voedingsstoffen bij zowel de vader als de moeder, omdat deze hun traditionele natuurvoeding inruilden voor zwaar bewerkt, blank gemaksvoedsel.

Price was nieuwsgierig naar de voedingsfactoren die deze volkeren zo gezond en sterk maakten en het ontbreken daarvan in modern voedsel. Er moest iets zijn wat deze volkeren aten dat niet of onvoldoende in supermarktvoedsel aanwezig was.

Het antwoord op deze vraag was nog niet zo eenvoudig te vinden, omdat de voedingsgewoontes van de door Price bestudeerde mensen aanzienlijk uiteenliepen, afhankelijk van het klimaat en het ecosysteem waarin ze zich bevonden.
Toen hij terug in Amerika de meegenomen voedselmonsters onder de microscoop onderzocht, ontdekte hij de grote gemene deler: de natuurvolkeren consumeerden minimaal 10 keer zoveel vetoplosbare vitamines (A, D, E en K) dan de gemiddelde Amerikaan van zijn tijd en hun voeding was zeer rijk aan mineralen.

Andersom was de moderne, bewerkte voeding juist zeer arm aan vetoplosbare vitamines en mineralen. Hierdoor vielen deze ooit zeer vitale en robuuste natuurvolkeren ten prooi aan ziekten die ze nooit eerder hadden gekend: griep, verkoudheid, tuberculose, cholera, reuma en kanker.

De vetoplosbare vitamines en mineralen haalden de door Price onderzochte natuurvolkeren grotendeels uit dierlijke bron. Weston Price identificeerde drie dierlijke superfoods, die een hoge concentratie vetoplosbare vitamines en mineralen bevatten: rauwe melk, orgaanvlees en vis. Hieruit blijkt het belang van een hoge consumptie van dierlijke vetten van de allerbeste kwaliteit. Voor vegetariërs is het nog eens extra belangrijk om voldoende dierlijke vetten te consumeren.

Weston Price identificeerde ook de volgende voedselverteringsketen: vetten – mineralen – vitamines. De een fungeert als een sleutel in het contactslot van de ander. Met andere woorden: vetten zijn nodig voor de mineraalopname en mineralen zijn nodig voor de opname van vitamines. Opnieuw staan vetten aan de basis. Niet voor niets verwees Price naar vetoplosbare vitamines als ‘activators’.

Price deed zijn onderzoek precies op het juiste moment, want de modernisering van deze oervolkeren was in de jaren ’30 van de vorige eeuw al volop in gang. Soms bleek een stam slechts enkele kilometers verderop al geheel of gedeeltelijk gemoderniseerd te zijn.

Weston Price was een uitstekende amateurfotograaf en zijn boek staat dan ook vol met fotomateriaal waaruit heel duidelijk het positieve gezondheidseffect van traditionele natuurvoeding en het negatieve gezondheidseffect van moderne, bewerkte voeding blijkt.

Tijdloos

Zowel met zijn onderzoek naar focale gebitsinfecties als zijn onderzoek naar voeding en fysieke degeneratie was Weston Price een pionier, iemand die zijn tijd ver vooruit was. Zo ver vooruit dat zijn boek, dat hij in 1939 voor het eerst publiceerde, anno nu nog steeds mag worden beschouwd als de definitieve studie naar het effect van voeding op de menselijke gezondheid.

Zowel de tandheelkunde als de voedingsleer hebben zich echter in de tegengestelde richting ontwikkeld. De voedingsrichtlijnen van westerse overheden zijn juist gericht op de consumptie van zo weinig mogelijk dierlijk, verzadigd vet en cholesterol en een hoge consumptie van granen en andere plantaardige producten als groente en fruit.
Hierdoor maakt de moderne mens de waarschuwing die uitgaat van het werk van Weston Price helaas maar al te waar en vertonen we een alsmaar verdergaande degeneratie. Dit maakt het onderzoek en de bevindingen van Price tijdloos. Willen wij het tij keren, dan zullen we beduidend andere voedselkeuzes moeten maken, op basis van de inzichten van Weston Price.

Vanwege de kijk die Weston Price ons biedt op de erfelijkheidsleer wordt hij wel de ‘Darwin van de voeding’ genoemd. Deze benaming doet Price echter tekort. Price ging niet uit van ‘toeval’ of ‘vergissingen van de natuur’, maar juist van oorzaak en gevolg. In de woorden van Price zelf:

Er is een voedingsbasis voor moderne fysieke, mentale en morele degeneratie.

Price moet eerder gezien worden als een pionier van een recente wetenschappelijke discipline die ‘epigenetica’ wordt genoemd en die in zijn tijd niet bestond. ‘Epigenetica’ verwijst naar iets dat boven de genen staat, de genen overstijgt.
De epigenetica gaat uit van verandelijke genen met een ‘aan-knop’ en ‘uit-knop’, die positief of negatief reageren, al naar gelang de kwaliteit van de omgeving. De omgeving van de cellen is het bloed en de lymfevloeistof. Als deze omgeving schoon is en boordevol voedingsstoffen, zullen de genen hun optimale expressie vinden (erfelijkheid, volgens de definitie van Weston Price). Is deze echter vervuild en vergiftigd, dan zullen de genen niet hun optimale expressie vinden en is ziekte en zwakheid het gevolg (verstoorde erfelijkheid, volgens de definitie van Weston Price).

Het goede nieuws is dat als onze genen niet leidend zijn, maar volgend, er tegenover degeneratie ook regeneratie staat en dat ziekteprocessen dus omkeerbaar zijn door verbetering van de voeding. Ook regeneratie is binnen één generatie te bewerkstelligen en het is het beste geschenk dat we onszelf en ons nageslacht kunnen meegeven.